Ik lees graag over de vele aspecten van het 'gevonden worden op het web'. Deze dagen een interessante discussie volgend op een artikel in de New York Times van afgelopen zondag. Hoewel deze discussie niet wordt gevoerd vanuit een zakelijk perspectief is het leerzaam als je betrokken ben bij de strijd om 'eyeballs' op internet.
In het artikel in de New York Times schrijft Geoffrey Nunberg (een linguïst aan de Universiteit van Stanford) over de werking van Google en de gevolgen die het heeft voor 'waarheidsvinding'.
James Moore, een senior fellow bij een instituut verbonden aan Harvard, schreef een essay over de invloed van de publieke opinie op gebeurtenissen in de wereld. Hij noemde de publieke opinie – zoals nu tot stand komend via netwerken en media – 'the second superpower' na de Verenigde Staten. Nunberg wijst op een artikel op de Britse technologiewebsite TheRegister.com over het feit dat ditzelfde begrip in een vergelijkbare context eerder was gebruikt in een artikel van Patrick Tyler in de New York Times.
Maar het essay van Moore werd massaal opgepikt door collega publicisten op internet. Gevolg is dat als je nu 'second superpower' intypt in Google alles wijst naar James F. Moore. Een link naar het eerste artikel in de NYT is niet te vinden. Dit wordt door Orlowski, de auteur van het artikel op TheRegister, 'Googlewashing' genoemd en de vergelijking met de ergste nachtmerries van George Orwell geeft al aan wat hij er van vindt.
Of er nu sprake is van een bewuste Googlewashing actie of niet, de uitkomst van de 'strijd' tussen Moore en Tyler is geen toeval. James Moore en een netwerk van publicisten op internet die zich bedienen van weblogs of kortweg 'blogs' beïnvloeden door de vele links naar elkaars artikelen de uitkomst van de zoekresultaten bij Google. En dat is een doorn in het oog van Nunberg. Hij heeft meer voorbeelden van de gevolgen die dit kan hebben.
Natuurlijk wordt nu in de blogs weer gereageerd op het artikel van Nunberg in de New York Times. In die reactie wordt onder andere gewezen op het verschil tussen openbare informatie en informatie in een krant waar je voor moet betalen. De New York Times moet niet zeuren, was die info gratis toegankelijk dan zou de Google strijd anders uitpakken. Een bijna ideologische discussie die goed te verklaren is als je weet dat Moore voorstander is van de zogenaamde 'open source' beweging. Die beweging hangt de gedachte aan dat informatie – waaronder vaak ook software en andere intellectuele producten – zoveel mogelijk gratis toegankelijk moet zijn voor iedereen om te gebruiken.
Los van deze ideologische discussie is de kracht van blogs een serieus onderwerp om over na te denken en dat dan in combinatie met de werking van populaire search engines als Google. Veel mensen doen hun research via Google en verbinden conclusies aan de eerste x resultaten die ze aantreffen. Hun conclusies zijn dus te sturen als je begrijpt hoe Google werkt en dat gebeurt dus ook.
Aan de andere kant is het ook niet verkeerd om beter te doorgronden hoe Google werkt om het beter in te zetten voor research. Gelukkig zijn er kennelijk veel mensen zich bewust van het belang van enige kennis op dit terrein. Dat blijkt wel uit het feit dat het boek 'Google Hacks' momenteel in de top 10 business bestsellers van NY times staat.
Stof om over na te denken, zeker voor communicatiemanagers die gewend zijn om te denken in termen van controleren, sturen en beheersen. Ook hebben de blogs en andere 'nieuwe media' ondanks hun populariteit de tradionele communicatieafdelingen nog nauwelijks bereikt.
In het kader van het doorgronden van de search engines en de mogelijkheden die we nog kunnen verwachten zijn sites als deze een bezoek waard:
En hoewel ik het boek zelf nog niet heb gelezen veronderstel ik dat dit ook lezenswaardig is:
Bronnen: